POM 8

interview

interview

Architect Arie van Rangelrooij voor een glas-in-loodplastiek van beton, glas en kleur van zijn grote voorbeeld, de beroemde Franse architect/kunstenaar

Le Corbusier in Marseille.

De vlinder is het park en theater is het strikje

In januari 2013 is het zes jaar geleden dat Parktheater Eindhoven na een grondige verbouwing en de bouw van de Philipszaal, zijn deuren opende. Een wandeling door het gebouw met de architect, Arie van Rangelrooij. “Dit is een nachtgebouw. Daar hou ik van.”

We staan in de voorhal bij de twee zojuist vervangen voordeuren. In januari moeten alle deuren zijn vervangen. Waarom?

“Omdat op een gegeven moment alleen de middelste deuren nog gebruikt werden vanwege de extreme tocht, was het voor de mensen niet duidelijk door welke deuren ze naar binnen moesten. Als je zorgt dat de middendeuren er anders uitzien dan de rest, dan is dat visueel duidelijk en hoeft het bordje ‘hoofdingang’ er niet meer bij. De andere deuren krijgen de stijl van de oorspronkelijke deuren. Want die hebben veel meer glas, en horen ook echt bij de stijl van het oude gebouw.”

Het oude gebouw is door jou teruggebracht in zijn oorspronkelijke vorm, uit 1964. Waarom heb je daarvoor gekozen?

“Het is een beetje het handelsmerk van ons bureau. Ik ben best wel een architectuurfreak. Ik houd heel erg van mooie oude gebouwen. Als iets vroeger al heel mooi gemaakt is, dan voel ik niet zo de behoefte om met ‘mijn eigen ding’ contrast aan te brengen.

Ik zeg altijd: het gebouw is ooit al een keer ontworpen, en de dingen die ontworpen zijn die moet je respecteren. En dus de dingen op een vanzelfsprekende manier in de stijl doen zoals de oorspronkelijke architect het zou hebben gedaan. Waardoor het gebouw in zijn waarde blijft, de waarde van toen.

Dat wil niet zeggen dat je geen goede luchtbehandeling moet maken, goede naambordjes... eigenlijk het hele programma waaraan een modern theater moet voldoen.”

Laten we de staatsietrap oplopen, richting grote zaal.

Arie vervolgt: “In de grote zaal kun je dat het beste zien. Als je hier binnenkomt denk je: er is niks veranderd. Maar achter in de zaal is er is een regiehok gekomen. In de jaren zestig hadden ze bedacht dat al het licht en geluid wel vanaf het balkon geregeld kon worden.

Arie wijst naar boven: “Ook is het plafond hier drie meter hoger geworden, om de zaalbruggen te kunnen maken. In de oude situatie was het een wit plafond. Dat hebben we ook weer teruggebracht. We hebben de lijst van het toneel vergroot en de orkestbak vergroot, de hele stoelopstelling is daardoor veranderd ten opzichte van hoe het vroeger was. Het grappige was dat er na die operatie meer stoelen in konden.”

“Deze houten latwerken op de zaalwanden zijn van een bepaalde luxe soort hardhout dat in de jaren zestig verkocht werd. Dat hout mag je nu niet meer invoeren. De wand is heel lang afgekeurd geweest door de brandweer. Toch wilden we de wanden behouden en daarom hebben we gezocht naar de juiste soort lak die er voor zorgde dat het hout een brandwaarde kreeg waarmee de brandweer akkoord ging. Na lang zoeken hebben we, slechts vier maanden voor de oplevering van het gebouw, de lak gevonden en daardoor hebben we de houten wanden kunnen behouden. Als we hem niet hadden gevonden was er nog altijd een noodscenario.

Het voorbeeld van de lak illustreert de ambitie van een restauratie-architect: veel moeite doen om het gebouw in zijn oorspronkelijke staat terug te brengen. Dat is een heel andere ambitie dan die van de Philipszaal.”

Inmiddels staan we op de zaalomloop. Je koos voor goudgele vloerbedekking.

“Toen de schouwburg openging in 1964, was ik zes jaar. Ik herinnerde mij dat de vloer toen geel was. Voor de restauratie was de vloerbedekking rood. Ik dacht: wat zou het mooi zou zijn om de oude goudgele vloerbedekking erin te leggen. Ik vind het heel essentieel voor het gebouw. Het is namelijk zo’n grote oppervlakte. We hebben gedacht aan een gele variant als gietvloer, maar dan krijg je een heel andere akoestiek.

De goudkleurige metalen elementen van vroeger hebben we er ook ingelaten, zoals de kapstokken. Die hebben we goud laten schilderen, ik noem het een soort ‘Oostblokchic’. Het geeft het gebouw een feestelijk karakter.”

Het Parktheater heeft enkele opvallende kunstwerken. Deze, op de muur tegenover de kapstokken, zat hier voorheen niet, toch?

“Dit stoffen kunstwerk is een schenking geweest van de Katholieke Vrouwen Bond. Het zat in de oude situatie in de balkonrand. Maar de balkonrand hebben we gebruikt om luchtbehandeling aan te brengen. We hebben het helemaal van de balkonrand losgetornd.”

We lopen langs het kunstwerk naast de trap richting Theatercafé: “Dit is een mozaiek van Jef Diederen. Het was heel experimenteel voor de jaren zestig. Een glaskunstenaar heeft me later verteld dat het een heel moeilijke soort spiegeltechniek is. Het is een high-tech wand die spiegelt en reflecteert en die is als een soort voorzetje beschouw naar ons lichtkunstwerk aan de buitengevel. Ook met kleur, maar dan met de techniek van deze tijd.”

Onderweg naar de Philipszaal stoppen we een moment in de Philipsfoyer: “Dit deel van het gebouw is een aanvulling op de grote zaal. Met 950 stoelen heb je genoeg pluche. Dus je moet hier een zaal maken die veel weerbarstiger is. De klassieke theatrale dingen doe je bij het pluche, en hier kunnen nieuwe dingen gebeuren. Je komt in een andere sfeer. Dit deel is een onafgewerkt gebouw: betonnen wanden, houten vloeren. Ruwbouw is afbouw. Daar hou ik van. Mijn grote held is daarom de Franse architect Le Corbusier. Die doet dat op een hele mooie manier. De ruwbouw ga je op een mooie manier decoreren, met kleuren, met meubels, met geprint glas, met strikken.”

Met strikken?

“De elementen op de buitengevel, de strikken, of de vlinders, zijn geispireerd op het werk van de Eindhovense kunstenaar René Daniëls. Het is een heel regionaal beeld, je ziet ze ook op de luiken van Brabantse boerderijen: het zandlopermotief.

Voor het Parktheater is het een vlinder, maar het is ook een strikje. De vlinder is het Stadswandelpark en theater is het strikje. Die poëzie van de decoratie, dat is een echte ‘René Daniëls manier van denken’. Het is ook een ode aan René Daniëls. Hij heeft een ongelofelijke dramatiek. Het leven van hem, maar ook zijn schilderijen zelf. Schrijnende humor.”

De print op het gevelglas is heel verfijnd.

“De print op het glas aan de gevel is de afbeelding van een theaterdecor uit de Renaissance. Ik heb het in een boekje gevonden over theaterdecors. En wat hier heel leuk aan is: dit theaterdecor was getiteld ‘De Chinese Tuin’. In eerste instantie denk je: het zijn palmbomen. Maar als je goed kijkt, dan lijken het papyrussen. En als je nog beter kijkt, dan zie je dat het een fantasie is. Een fantasie van een tuin.”

We lopen nu de Philipszaal binnen. Een groot contrast met het pluche van de grote zaal.

Arie steekt meteen van wal: “Dit is een neutraal landschap. In deze zaal kan van alles en nog wat, zonder dat de zaal in de weg zit. Deze zaal heeft het in zich om een gewone hal te zijn. Hier wordt de sfeer bepaald door de techniek. In die zin is het soort barokkerk. Bij barokkerken heb je het aardse, het ongedecoreerde en boven heb je die schilderingen van de hemel. En hier is de hemel de wereld van de techniek. De gordijnen zijn grijs, als de kleur van machines.

Hier geldt de architectuur van het weglaten, hiernaast in de pluchezaal geldt de architectuur van het decorum.”

We eindigen onze wandeling in de Intermezzo, die het oude gebouw met het nieuwe gedeelte verbindt.

“Als architect moet je beseffen dat er na jou nog heel veel meer komt, dat het gebouw bruikbaar moet blijven. Daarom past het lichtkunstwerk aan de gevel, van Herman Kuijer, ook zo goed. Hij heeft gezegd: het lichtkunstwerk is een kijkje in het gebouw. Het is een uitsnede, hier is een stuk van de gevel weg, dat hij heeft gevuld met zijn ‘lichttheater’. Slechts één keer in de miljoen jaar herhalen de lichtjes zich in de zelfde combinatie.

Ik vind het mooi dat je dat als kunstenaar uitrekent. Ik ben als architect ook heel erg bezig met lange termijn. Je moet over de vraag van een gebruiker heen stijgen wil je het gebouw een duurzaam karakter meegeven. Het theater zelf is, met dagelijks voorstellingen, eigenlijk heel vluchtig. Dat vind ik een mooi soort contradictie.”

Loes Barkema

Arie van Rangelrooij is verbonden aan het bureau

architecten I en I en.

Interview

______________________________________________________________________________